Intermediate Dutch grammar including subordinate clauses, passive voice, conditionals, and professional communication for the workplace.
Staatsexamen NT2 Programma I
Meervoudsvorming
Lijdende vorm
Betrekkelijke bijzinnen
Infinitiefconstructies
Plaatsbepalingen
Woordvorming
Voorwaardelijke zinnen
Indirecte rede
Voegwoorden & verbindingswoorden
Deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord
Infinitief met om...te — expressing purpose and result
Zowel...als, niet alleen...maar ook, terwijl, toch, echter
Ontkenning
Het woordgeslacht
Wensen en hypothetische situaties
Getallen, datums en hoeveelheden
op, in, om, voor, na, sinds, tot, binnen, gedurende
Formation rules for -tje, -je, -pje, -etje, -kje and their uses
wel, even, maar, toch, eens, hoor, zeker — Dutch flavour words
Comparatives, superlatives, equality — -er, -st, meer, meest, zo...als