Indirecte rede
Exam relevant: This topic is covered in the Staatsexamen NT2 (Programma I — B1 level).
Reported statements use dat + verb-final word order.
| Direct speech | Indirect speech |
|---|---|
| Hij zegt: "Ik werk hier." | Hij zegt dat hij hier werkt. |
| Ze zegt: "Ik ben moe." | Ze zegt dat ze moe is. |
| Ze zei: "Ik ben moe." | Ze zei dat ze moe was. |
| "Wij wonen in Amsterdam." | Ze vertellen dat ze in Amsterdam wonen. |
Note: a past reporting verb (zei, vertelde) triggers tense backshift in the dat-clause.
Structure: [Reporting verb] + dat + [subject] + [rest] + [verb]
Hij vertelt dat hij een nieuwe baan heeft gevonden.
He tells us that he has found a new job.
Perfect tense stays the same when reporting verb is present
Ik denk dat het morgen gaat regenen.
I think that it is going to rain tomorrow.
Ze weten dat de vergadering om drie uur begint.
They know that the meeting starts at three o'clock.
Wij geloven dat dit de beste oplossing is.
We believe that this is the best solution.
When the reporting verb is in the past tense, the reported verb shifts one step back.
| Original tense | After backshift | Example |
|---|---|---|
| Present (is/werkt) | Simple past (was/werkte) | "Ik werk." → hij zei dat hij werkte. |
| Present perfect (heeft gewerkt) | Pluperfect (had gewerkt) | "Ik heb gewerkt." → hij zei dat hij had gewerkt. |
| Simple past (werkte) | Pluperfect (had gewerkt) | "Ik werkte." → hij zei dat hij had gewerkt. |
| Future (zal gaan) | Conditional (zou gaan) | "Ik zal gaan." → hij zei dat hij zou gaan. |
Backshift only applies when the reporting verb is in the past tense (zei, vertelde, vroeg, etc.).
Hij zegt dat hij ziek IS.
He says that he IS sick.
Present reporting verb: keep present tense
Hij zei dat hij ziek WAS.
He said that he WAS sick.
Past reporting verb: present → simple past
Ze zeggen dat ze HEBBEN geslapen.
They say that they HAVE slept.
Present reporting: no change to perfect
Ze zeiden dat ze HADDEN geslapen.
They said that they HAD slept.
Past reporting: perfect → pluperfect
"Zei" is past tense, so backshift is required: is → was.
"Vertelde" triggers backshift: heeft gelezen → had gelezen.
Yes/no questions use "of" (whether); wh-questions keep their question word.
| Direct question | Indirect question |
|---|---|
| "Kom je morgen?" | Hij vroeg of ik de volgende dag zou komen. |
| "Heb je de brief ontvangen?" | Ze vroeg of ik de brief had ontvangen. |
| "Waar woon je?" | Hij vroeg waar ik woonde. |
| "Wanneer begint de vergadering?" | Ze wilde weten wanneer de vergadering begon. |
| "Waarom ben je te laat?" | De manager vroeg waarom ik te laat was. |
Note: time expressions also shift — morgen → de volgende dag; nu → toen; hier → daar.
Reported yes/no questions use "of" (whether), not "dat".
In reported questions, word order is subordinate: verb goes to the end.
Commands are reported using zeggen dat + moest, or vragen (om) te + infinitive.
Direct: "Sluit de deur!" → Indirect: Hij zei dat ik de deur moest sluiten.
Direct: "Close the door!" → Indirect: He said I had to close the door.
Imperative → moest + infinitive at end
De baas vroeg ons om vroeger te komen.
The boss asked us to come earlier.
vragen om te + infinitive
Ze beval hem het gebouw onmiddellijk te verlaten.
She ordered him to leave the building immediately.
bevelen + te + infinitive
Scenario: Meetings and Professional Communication
De directeur zei dat het project volgende week klaar moest zijn.
The director said that the project had to be ready next week.
Mijn collega vertelde me dat de klant niet tevreden was.
My colleague told me that the client was not satisfied.
In de vergadering vroeg de manager of iedereen de nieuwe procedure kende.
In the meeting, the manager asked whether everyone knew the new procedure.
De HR-afdeling liet weten dat de sollicitatietermijn was verlengd.
The HR department announced that the application deadline had been extended.