Build your foundation in Dutch grammar. Learn present tense verbs, articles, word order, negation, and basic sentence construction for everyday and workplace situations.
Preparation for Inburgeringsexamen (A2 target)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
Persoonlijke voornaamwoorden (onderwerp)
Lidwoorden: de en het
Woordvolgorde in de hoofdzin
De werkwoorden hebben en zijn
Ontkenning: niet en geen
Vragen stellen
Bijvoeglijke naamwoorden: met of zonder -e
Persoonlijke voornaamwoorden als object — me, je, hem, haar, ons, ze
Meervoud — -en, -s, and irregular plurals
Verkleinwoorden — het kopje, het huisje, het meisje