NederProDutch
LevelsVocabularyExamsDaily PracticeReferenceProgress
NederPro

Structured Dutch grammar learning for adults. CEFR A0–B2.

Join our DiscordFollow on Facebook

Learn

LevelsVocabularyDaily PracticeReferenceCultureHistoryBlog

Exam Guides

Exam PracticeInburgeringsexamenStaatsexamen NT2My ProgressPricingAboutContact

Start Learning

A0 — StarterA1 — BreakthroughA2 — WaystageB1 — ThresholdB2 — Vantage

© 2026 NederPro. All rights reserved.

Privacy PolicyCookie PolicyTerms & Conditions
  1. Home
  2. Levels
  3. A2 - Waystage
  4. Perfect Tense: Irregular Verbs
A2~35 min

Perfect Tense: Irregular Verbs

Voltooid tegenwoordige tijd: onregelmatige werkwoorden

📋

Exam relevant: This topic is covered in the Inburgeringsexamen. You're studying at the required exam level.

Irregular Past Participles

Irregular verbs change their vowel in the past participle and typically end in -en instead of -t or -d. The pattern is: ge- + changed stem + -en.

Unlike regular verbs that follow the t kofschip rule, irregular (strong) verbs undergo a vowel change in their stem. These forms must be memorized. The past participle of irregular verbs almost always ends in -en.
InfinitivePast participleEnglish
to be
to have
to go
to come
to do
to see
to take
to give
to write
to speak
to read
to eat
to drink
to drive/ride
to sleep
to begin
to find

These irregular past participles must be memorized. Notice the vowel changes in the stem.

A good strategy is to learn irregular verbs in groups based on their vowel change pattern. For example: schrijven -> geschreven, rijden -> gereden (ij -> e); drinken -> gedronken, vinden -> gevonden (i -> o); nemen -> genomen, spreken -> gesproken (e -> o).

Ik heb het boek gelezen.

I have read the book.

Zij heeft een brief geschreven.

She wrote a letter.

Wij hebben koffie gedronken.

We drank coffee.

Hij heeft de sleutels gevonden.

He found the keys.

Hebben vs. Zijn with Irregular Verbs

The same rule applies for irregular verbs: movement/state-change verbs use zijn; the rest use hebben.

Many common irregular verbs use zijn as their auxiliary because they express movement or a change of state. Key examples include: zijn (is geweest), gaan (is gegaan), komen (is gekomen), rijden (is gereden when indicating movement from A to B), beginnen (is begonnen), and worden (is geworden).
VerbAuxiliaryPerfect tense example
Ik ben ziek geweest.
Zij is naar huis gegaan.
Hij is laat gekomen.
zijn / hebbenIk ben naar Utrecht gereden. / Ik heb de hele dag gereden.
De vergadering is begonnen.
Ik heb de krant gelezen.
Zij heeft een e-mail geschreven.
Wij hebben pasta gegeten.
Hij heeft water gedronken.
Ik heb met de baas gesproken.

Some verbs like rijden can use both hebben and zijn depending on whether movement from A to B is expressed.

Ik ben naar de vergadering gegaan.

I went to the meeting.

zijn: movement to a destination

Zij is vorige week gekomen.

She came last week.

zijn: movement

Wij hebben Nederlands gesproken.

We spoke Dutch.

hebben: no movement

Het project is gisteren begonnen.

The project started yesterday.

zijn: change of state

Workplace Context

Scenario: Irregular verbs appear frequently in professional Dutch. Here are common workplace sentences using irregular past participles.

Ik heb het rapport gelezen.

I have read the report.

Zij is naar de vergadering gegaan.

She went to the meeting.

Wij hebben met de klant gesproken.

We spoke with the client.

Hij heeft een voorstel geschreven.

He wrote a proposal.

De presentatie is goed gegaan.

The presentation went well.

Common Mistakes

✗Ik heb het boek gelest.
✓Ik heb het boek gelezen.

Lezen is irregular. The past participle is 'gelezen', not 'gelest'. It does not follow regular t kofschip rules.

✗Zij heeft naar de winkel gegaan.
✓Zij is naar de winkel gegaan.

Gaan expresses movement from A to B, so it requires 'zijn' as the auxiliary, not 'hebben'.

✗Hij heeft een brief geschrijven.
✓Hij heeft een brief geschreven.

The past participle of 'schrijven' is 'geschreven' (ij changes to e), not 'geschrijven'.

✗Wij zijn koffie gedronken.
✓Wij hebben koffie gedronken.

Drinken is not a movement or state-change verb. It uses 'hebben' as the auxiliary.