NederProDutch
LevelsVocabularyExamsDaily PracticeReferenceProgress
NederPro

Structured Dutch grammar learning for adults. CEFR A0–B2.

Join our DiscordFollow on Facebook

Learn

LevelsVocabularyDaily PracticeReferenceCultureHistoryBlog

Exam Guides

Exam PracticeInburgeringsexamenStaatsexamen NT2My ProgressPricingAboutContact

Start Learning

A0 — StarterA1 — BreakthroughA2 — WaystageB1 — ThresholdB2 — Vantage

© 2026 NederPro. All rights reserved.

Privacy PolicyCookie PolicyTerms & Conditions
  1. Home
  2. Reference
  3. Irregular Verbs

Irregular Verbs

Common Irregular Verbs — Full Conjugation

InfinitiveIk (present)Hij (present)ImperfectumPerfectumMeaning
was / warenis geweestto be
had / haddenheeft gehadto have
ging / gingenis gegaanto go
kwam / kwamenis gekomento come
deed / dedenheeft gedaanto do
zag / zagenheeft geziento see
zei / zeidenheeft gezegdto say
wist / wistenheeft gewetento know
liep / liepenis gelopento walk
reed / redenheeft/is geredento drive
schreef / schrevenheeft geschrevento write
las / lazenheeft gelezento read
lag / lagenheeft gelegento lie (down)
zat / zatenheeft gezetento sit
stond / stondenheeft gestaanto stand
krijgenkrijgkrijgtkreeg / kregenheeft gekregento get/receive
kocht / kochtenheeft gekochtto buy
bracht / brachtenheeft gebrachtto bring
dacht / dachtenheeft gedachtto think
vond / vondenheeft gevondento find/think
For rijden: use "is gereden" for movement (Ik ben naar Amsterdam gereden) and "heeft gereden" for general activity (Hij heeft vandaag gereden).