Wederkerende werkwoorden
Exam relevant: This topic is covered in the Inburgeringsexamen. You're studying at the required exam level.
Reflexive verbs use a reflexive pronoun to indicate that the subject performs the action on itself.
| Subject | Reflexive Pronoun (unstressed) | Reflexive Pronoun (stressed) |
|---|---|---|
| ik | me | mij |
| jij / je | je | jou |
| hij / zij / het | zich | zich |
| u | zich | zich |
| wij / we | ons | ons |
| jullie | je | jullie |
| zij (plural) | zich | zich |
Reflexive pronouns by subject. In everyday speech, the unstressed forms are more common.
| Dutch | English | Example |
|---|---|---|
| zich voelen | to feel | Ik voel me goed. |
| zich vergissen | to be mistaken | Hij vergist zich. |
| zich voorstellen | to introduce oneself / to imagine | Ik stel me even voor. |
| zich herinneren | to remember | Zij herinnert zich de vakantie. |
| zich aankleden | to get dressed | Ik kleed me aan. |
| zich wassen | to wash oneself | Hij wast zich elke ochtend. |
| zich zorgen maken | to worry | Wij maken ons zorgen. |
| zich aanmelden | to register / to sign up | Kunt u zich aanmelden bij de receptie? |
| zich schamen | to be ashamed | Zij schaamt zich. |
| zich gedragen | to behave | De kinderen gedragen zich goed. |
| zich haasten | to hurry | Ik moet me haasten. |
| zich ergeren aan | to be annoyed at | Hij ergert zich aan het lawaai. |
| zich bemoeien met | to meddle with | Bemoei je er niet mee! |
| zich interesseren voor | to be interested in | Zij interesseert zich voor kunst. |
| zich voorbereiden | to prepare oneself | We bereiden ons voor op het examen. |
| zich vervelen | to be bored | De studenten vervelen zich. |
| zich abonneren | to subscribe | Ik heb me geabonneerd op de krant. |
| zich verstoppen | to hide (oneself) | De kat verstopt zich onder het bed. |
| zich concentreren | to concentrate | Ik kan me niet concentreren. |
| zich verontschuldigen | to apologize | Hij verontschuldigt zich voor de fout. |
Common reflexive verbs in Dutch. Many take a preposition (aan, met, voor, op).
Ik voel me goed.
I feel good.
Hij vergist zich.
He is mistaken.
Wij stellen ons voor.
We introduce ourselves.
Zij herinnert zich de vakantie.
She remembers the vacation.
De kinderen kleden zich aan.
The children get dressed.
For separable reflexive verbs, the reflexive pronoun comes after the conjugated verb, and the prefix goes to the end.
The reflexive pronoun comes directly after the conjugated verb in main clauses.
Ik voel me vandaag niet lekker.
I do not feel well today.
Main clause: reflexive pronoun "me" comes right after verb "voel".
Voel je je vandaag beter?
Do you feel better today?
Question with inversion: "je" (subject) comes after verb, then "je" (reflexive pronoun).
Ik denk dat hij zich vergist.
I think that he is mistaken.
Subordinate clause: reflexive pronoun "zich" follows the subject "hij".
"Zich" is only used for third person (hij/zij/het) and formal "u". With "ik", use "me" or "mij".
For reflexive verbs in the third person, always use "zich", not "hem" or "haar". "Hem" would mean he feels someone else.
With "wij", the reflexive pronoun is "ons", not "zich".
The reflexive pronoun comes right after the conjugated verb, before the separable prefix.
Scenario: Reflexive verbs are frequently used in professional introductions, registrations, and expressing how you feel about work situations.
Ik stel me even voor: mijn naam is Anna en ik ben de nieuwe projectmanager.
Let me introduce myself: my name is Anna and I am the new project manager.
Kunt u zich aanmelden bij de receptie?
Could you register at the reception?
Ik voel me thuis bij dit team.
I feel at home with this team.
We moeten ons voorbereiden op de presentatie.
We need to prepare ourselves for the presentation.
Zij maakt zich zorgen over de deadline.
She is worried about the deadline.
Many reflexive verbs describe daily self-care and health situations.
| Dutch | English | Example |
|---|---|---|
| zich wassen | to wash oneself | Ik was me elke ochtend. |
| zich aankleden | to get dressed | Hij kleedt zich snel aan. |
| zich uitkleden | to undress | Kunt u zich uitkleden voor het onderzoek? |
| zich omkleden | to change clothes | Ik moet me even omkleden. |
| zich verzorgen | to take care of oneself | Zij verzorgt zich goed. |
| zich bezeren | to hurt oneself | Ik heb me bezeerd aan mijn knie. |
| zich verwonden | to wound oneself | Hij heeft zich verwond met een mes. |
| zich snijden | to cut oneself | Ik heb me gesneden. |
| zich verbranden | to burn oneself | Zij heeft zich verbrand aan de oven. |
| zich verslikken | to choke (on food/drink) | Hij verslikte zich in het water. |
| zich voelen | to feel (health) | Ik voel me niet lekker. |
| zich ziek melden | to call in sick | Ik moet me ziek melden bij mijn baas. |
Kunt u zich uitkleden achter het gordijn?
Could you undress behind the curtain?
Ik heb me bezeerd tijdens het sporten.
I hurt myself while exercising.
Ik voel me al drie dagen niet lekker.
I have not been feeling well for three days.
Hij heeft zich verbrand aan heet water.
He burned himself on hot water.